Schaatsenrijden
Hij dacht nog wel eens aan zijn vader. De man van de grote woorden. De man die het voor elkaar had. De man die… Ja, wat voor man eigenlijk? Hij boog zich voorover en strikte zijn veters. Zijn vingers waren koud. De lucht was koud. Hij ademde diep in en voelde de vorst in zijn longen tintelen. Er was geen afscheid geweest, besefte hij zich. Geen ‘tot ziens, adieu, vaarwel.’ Maar dan: tot wie had hij zich moeten richten? Wat zouden die woorden hebben gezegd? Plichtplegingen. Hij was getrouwd. Had een leuke vrouw, twee leuke kinderen. Zoons. Op zondag trapten ze samen een balletje. Zijn vader. De grote woorden. Maar genoten had ‘ie van zijn kleinkinderen. Ze tot op het bot verwend. Moeizaam kwam hij overeind, klopte de sneeuw van zijn achterwerk en stapte op het gladde ijs. De tocht der tochten. Alleen dit jaar. Voor het eerst. Ach ja.
‘Papa?’
‘Ja?’
‘Wil je mij een verhaal voorlezen?’
‘Waarom?’
‘Gewoon.’
‘Dat is geen antwoord.’
‘Omdat ik dat leuk vind.’
‘Vraag maar aan je moeder.’
‘Mama is bezig.’
‘Dan moet je even wachten.’
‘Maar mama is druk.’
‘Dus?’
‘Wil jij het doen? Alsjeblieft?’
‘Joh, hou op met zeuren. Je kunt zelf lezen. Kies een boek en ga in je bed liggen.’
Het was niet makkelijk geweest. Hij had zijn vuisten moeten gebruiken. Helaas, dacht hij, achteraf. Het had hem nooit gepast. Een beetje zoals de schaatsen, die, strak aangesnoerd, net niet lekker om zijn voeten zaten. Net iets te nauw, net iets te knellend. Maar het moest, dacht hij, om te blijven staan. Om overeind te blijven. Zoals nu, op het gladde ijs, dat met iedere slag van zijn in drie lagen kleding gestoken benen krakend onder hem doorgleed. Waren het zijn knieën geweest, die knikten op het schoolplein, zoals nu zijn enkels tegen het harde leer van de oude noren, de noren van zijn vader, knikten, schuurden, schaafden? Was het hetzelfde bloed, plakkerig warm op de knokkels van de vuist die onbedoeld, ongemeend, maar hard en trefzeker was uitgeschoten en een neus had geraakt? Een neus. Hij kon er nog niet bij. Had de wind van voren verwacht. Maar hij had er niks van gezegd, zijn pa. En het was zeker een week rustig geweest. Ja, het was rustig geweest. Hij gleed langs de rietkragen van het water dat hij zo goed kende. Dat, ook nu, tot stilstand gekomen op de snijdende adem van weer een echte winter, fluisterend zijn naam riep. Hij antwoordde niet. Nog niet. Een reiger vloog op. Traag, bijna in slow motion, sloeg het dier zijn vleugels uit en liet zich dragen door het licht dat aan de horizon fel oranjerood kleurde. Hij wel. Die reiger.
‘Morgenavond maar eens met de paddock aan de slag.’
‘Maar morgen is het ouderavond.’
‘Daar hoeven we toch niet naartoe?’
‘Nou…’
‘Het gaat toch goed op school?’
‘Ja, maar de leraren…’
‘Ja?’
‘Nou ja, die willen denk ik ook wel iets vertellen over hoe het gaat.’
‘Dat kun jij toch doen? Als er iets is dat we weten moeten?’
‘Ja, maar… ja.’
‘Die bak moet af. De beesten moeten naar buiten. We zijn genoeg van huis geweest.’
Hij had het opgegeven. Het gevecht. Hij had zich geschikt naar de omstandigheden. Later, had hij gedacht, later. En dit was later. De plichtplegingen. ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed.’ Twee zoons. Twee leuke zoons. En een vrouw. Nousch had er wel eens naar gevraagd, in het begin. Hoe het geweest was voor hem. De paarden, de boerderij. De man met de grote woorden. Ze had het gezien. Herkend. Maar hij had er nooit veel over willen vertellen. Kunnen vertellen. Niet, in ieder geval, datgene wat zij horen wilde. Ze had het moeten doen met de vakantiekiekjes en de eettafelverhalen, zoals zij de bij ieder gezamenlijk gevierde familiefestiviteit terugkerende anekdotes over het schaatsenrijden, de kievietseieren en de gezonken kano, had genoemd. Toch had ze het begrepen, wist hij, misschien wel beter dan hij zelf, terwijl hij vaart maakte voor de bocht, zijn rechtervoet kort, vlot, in een soort soepele voorwaartse moonwalk , over zijn linkerschaats plaatste, precies zoals hij geleerd had, jaren geleden, op deze sloot, van zijn vader.
‘Moet je het bedrijf niet overnemen dan?’
‘Nou, weet je pa…’
‘Ik dacht dat ‘t wel wat voor je was.’
‘…’
‘Het loopt goed. Ik heb er hard voor gewerkt al die jaren.’
‘Dat weet ik.’
‘Het is mooi voor de kinderen. De ruimte.’
‘Ja, maar het is ook ver van school af. En van de winkels. Anouschka heeft haar vrienden in de stad.’
‘Ze heeft toch een auto?’
‘Dat is anders.’
‘Nou, dat valt me tegen. Je kunt beter eigen baas zijn. Werken voor je eigen geld.’
‘Mijn verzekeringen zijn beter geregeld zo.’
‘Zelf weten zoon. Het is jouw leven.’
Er was geen afscheid geweest. Er waren geen woorden. Hij ademde diep in, liet de koude winterlucht knisperend in zijn longen verstillen, hield hem daar vast, probeerde hem daar vast te houden, fluisterde toen geluidloos de naam van het water dat wild schitterend in het laatste licht van de avond traag, in slow motion bijna, maar soepel en glad als een moonwalk onder hem doorgleed. Zijn vader. Zijn vaders schaatsen. De zere enkels. Het klamme bloed. Te strak, het zat te strak. Het zat goddomme gewoon allemaal te strak. Nouschka had het geweten. Ze had hem er naar gevraagd. De man van de grote woorden. De man die het allemaal voor elkaar had. Maar waar was goddomme het gebaar? Waar was goddomme het gebaar geweest? Hij had het warm, besefte hij zich. Hij voelde zijn wangen gloeien, voelde hoe de hitte van zijn huid, tevergeefs, door de drie dikke lagen kleding heen probeerde te slaan. Naar buiten. Een weg naar buiten. Waar was die weg? Hij trok zijn muts van zijn hoofd af. Zijn ogen brandden. Hoe kon hij het niet eerder hebben gezien?
‘Er is nog een fonds, meneer.’
‘Een fonds?’
‘Ja.’
‘En wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Kijkt u maar.’
‘O.’
‘Daar kunt u even mee vooruit. Uw vader had het goed geregeld.’
Zijn vader had het goed geregeld. Hij gooide de muts woest, ongeduldig, met een lijf dat door drie lagen isolerende kleding heen brandde, ferm van zich af. Wat moest ‘ie er mee? Zette zijn linkervoet kort, fel, over de rechterschaats heen. Zoals hij het geleerd had, van zijn pa. Zijn pa, die hem geleerd had voor zichzelf te zorgen. Zijn eigen geld te verdienen. ‘Mooi voor de kinderen.’ De kinderen. Hij brak. Het brak. Zijn lichaam brak door het ijs dat hij zo goed kende, krakend, snijdend, glinsterend in de laatste zonnestraal die het land, de hemel, de opvliegende reiger, fel oranjerood kleurde. Oranjerood. Zijn longen tintelden. Diep drong de kou zijn borst binnen. Bluste de hitte, de onrust, de onmacht die hij steeds, klein en stil, verstild, aan de rand van het water, dit water, hem zo bekend, gevoeld had. Zijn vader. Een klein gebaar. Hij sloot zijn ogen. Had het te laat gezien. Nouschka. Hij fluisterde haar naam. Zij zou het weten. Zij wel.