Ik hoor u niet. Ik hoor u niet en uw kwaaie woorden raken mij niet. Uw kwaaie woorden raken mij niet en ik zie u niet. Ik zie u niet. U bent er niet. U bent er nooit geweest. U bestaat niet. Niet voor mij, in ieder geval.

U bestaat niet voor mij. Is dat wat ik doe? Wat ik steeds gedaan heb? Is dat waarom de eenzaamheid terugkeert, op hoge poten en met het hoofd in de nek, telkens als ik denk mijn rug gerecht te hebben? Is dat waarom ik alleen ben? Het klinkt zo mooi, je hoofd boven het maaiveld uitsteken. Voor jezelf opkomen. Laten zien wat je in huis hebt! Maar een hoofd boven het maaiveld rolt, onontkoombaar, een keer.

Dus oja, u bestaat. Maakt u zich geen zorgen, want heus, u bestaat. U staat ’s morgens op, kleedt u aan, doet uw behoefte, drinkt een kop koffie en gaat naar uw werk. Net zoals ik. Net zoals ik naast u besta. Ik drink ook koffie. Zwart en zonder suiker. Want koffie met suiker is nog steeds zwart.

Weet u wat ik denk: ik denk dat ik voor u ook niet besta. U hoort mij wel iets zeggen maar u luistert niet. Ik ben een ruis in uw oren. U ziet mij voorbij komen, een gezicht misschien, of alleen een gedaante, een vage schim die de hoek omslaat in de straat naar uw gloednieuwe auto, maar u herinnert mij niet. Ik ben de waas in uw ooghoek. U kent mij niet. Ik doe u niets. U niet, in ieder geval.

En zo leven wij naast elkaar. Langs elkaar. En langs elkaar heen. Op hoge poten en met het hoofd in de nek. Dat is althans mijn theorie. Maar daar mag u vrijuit op schieten.

De eenzaamheid dus, want zo kwam ik daar op. Doen wij dat onszelf aan? Doe ik dat mijzelf aan? Door u te ontkennen? Door te ontkennen dat u bestaat? Door u niet te zien en niet te horen? Misschien moet ik mij nader verklaren. Uitleggen wat ik bedoel. Wat de gedachte, of in ieder geval de mogelijke, bijna onaanraakbare idee, erachter is. Dus vooruit: met de kennis van nu zou ik mogelijk kunnen zeggen dat in het verleden aangewende strategieën om te komen tot een vorm van samenleven met u in de huidige praktijk onder de tegenwoordige omstandigheden in het licht van recente ervaringen naar het schijnt niet optimaal lijken te functioneren.

Dat dus. En vergeeft u mij mijn breedsprakigheid en het plagiaat van wat eigenlijk de samenvatting van de idee is: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Ik ga u laten schrikken met mijn conclusie. Wij moeten praten. Wij moeten praten met elkaar en naar elkaar luisteren. Wij moeten elkaar zien. Wij moeten elkaars bestaan bevestigen. Uw kwaaie woorden mogen mij raken. Want in die aanraking schuilt de bevestiging van ons beider bestaan. Ik doe u niets. U niet, in ieder geval. Maar die gloednieuwe auto, ai…