“Genoeg peut om thuis te komen”
Het is nog donker als ik aankom op de flightline. Aan de Afghaanse sterrenhemel straalt een halve maan helder over Kandahar Airfield. Blauwe, witte en oranje lichtjes kleuren de start- en landingsbaan voor ons. Ik biets een kop koffie bij de techneuten die de Cougar waarmee ik zometeen op pad ga klaar voor vertrek hebben gemaakt en maak een praatje met de collega’s die ook mee vliegen naar Tarin Kowt en Deh Rawod, de bestemmingen van deze vlucht. Een straalvliegtuig komt met donderend geraas voorbij gestoven, het enige dat we er van zien is de vuurbal die achter uit de motor komt.
Als we een half uur later naar de twee gereedstaande Cougars lopen, begint het in de verte al licht te schemeren. Miranda en Berend, de twee vliegers van ‘Dodo 45’, waar ik zometeen in zal stappen, staan ontspannen te praten met doorgunners David en Paul. De bagage wordt ingeladen en vastgesjord, en als mijn Amerikaanse medereiziger en ik een plaatsje in de Cougar hebben gevonden, start Miranda de motor op. De geur van warme lucht stroomt de Cougar in. Ik rommel wat met mijn helm en de headset die David me aanbiedt. Ze blijken niet allebei te passen. Met mijn helm op, past de headset niet. Ik moet dus kiezen: radio of helm. Ik kies voor de helm. Veiligheid voor alles.
En dan gaan we. Het is nu een uur na mijn aankomst op de flightline en de zon is op. Onvoorstelbaar hoe snel dat hier gaat. We rijden rustig naar de taxitrack, achter de tweede Cougar aan, maken een bocht naar links, een bocht naar rechts, staan stil en komen langzaam los van de grond. Als we op ongeveer een meter boven de grond hangen, duwt de Cougar zich vooruit terwijl we nog steeds stijgen. Kandahar Airfield glijdt onder ons door en binnen een paar minuten zijn we ‘buiten’, buiten de hekken van KAF, boven het Afghaanse land. Het is hier vlak en droog, een woestijn met geelbruin zand waarin je de sporen van auto’s en tractoren kunt zien lopen. Her en der staan wat eenzame quala’s, plukjes gras markeren het terrein waarop een kudde schapen graast. Achter de bergen piept een oranjerode zon tussen de grillige toppen door.
Dan voel ik weerstand. We stijgen steeds hoger om over het gebergte dat voor ons ligt heen te kunnen komen. Op deze hoogte is het heiig en wordt mijn zicht benomen door de weerkaatsing van de zon in het raampje waar ik achter zit. We worden nu omringd door bergen, die nog het meeste lijken op versteende zandheuvels. Ze zijn spits en puntig, en we vliegen er rakelings over heen. Achter de bergen ligt een meertje, het blijkt het meer van Arghandab te zijn, waarvan ik mij op de terugtocht laat vertellen dat deze in de winter zeker vijf keer zo groot is. Naast het meer verspreid liggen lappen groene deken. Een riviertje kronkelt door de vallei. Even lijkt het alsof we stilhangen boven het water. In de cockpit bladert Miranda door haar plattegronden, voor mij hangt David ontspannen in zijn stoel.
Ik probeer zoveel mogelijk van het terrein te zien terwijl we verder vliegen. Aan de ene kant zijn de bergen, aan de andere kant is het terrein heuvelachtig, woestijn. Dan minderen we vaart en moet ik een paar keer slikken om mijn oren te ‘lossen’. De Cougar duikt naar beneden en ik kan de steentjes op de grond onder ons bijna tellen. We vliegen langs een groene vallei met een dorp, een stad bijna, zo groot. En dan passeren we de hescowal die Tarin Kowt of ‘Kamp Holland’ markeert. Stof waait onder ons op als de Cougar zich klaarmaakt om te landen. David stapt uit en overlegt met de collega van Movcon (logistiek detachement) die al op ons stond te wachten. Uit de tweede Cougar, die naast ons op de landingsplaats staat, stappen de passagiers uit die op TK hun bestemming bereikt hebben. Ik blijf zitten.
Van de spanning die ik eerder die ochtend voelde, is niets meer over. De collega die net is ingestapt en recht tegenover me is gaan zitten, geeft me een hand en stelt zich voor. Door het geluid van de draaiende motor en met mijn knalgele oordoppen in, versta ik hem niet. Toch schreeuw ik ook mijn naam en lach vriendelijk terug. David neemt zijn plekje in de deuropening weer in en klikt zichzelf vast. Hij gebaart naar mij mijn helm af te zetten en de headset op te doen. Hij steekt zijn duim omhoog en voor ik het door heb hangen we weer in de lucht. Net buiten TK staan een paar provisorische tenten waarvoor ik enkele kleurrijk geklede kinderen zie rondhollen. We gaan steeds hoger en vliegen over de ‘green zone’ die, zo vlak naast de dorre, droge woestijn, bijna onvoorstelbaar groen is. Langs de gehele green zone, die aan beide zijden van de rivier door het landschap kronkelt, staan quala’s gebouwd. Het valt me op hoe netjes die er uit zien. Er rijden een paar auto’s over de weg die door de green zone voert, en vanaf deze hoogte kun je –weliswaar klein- ook de mensen die zich te voet bewegen nog onderscheiden.
Op de radio hoor ik beide vliegers continue afstemmen over hoogte, snelheid en locatie. Ik voel mijn oren weer dichtklappen als we een scherpe bocht naar rechts maken. Het wordt donker in de Cougar. Onder me lijken de heuvels waar we laag overheen vliegen net op de zeebodem vlak na vloed, als het zich terugtrekkende water geulen trekt in het zand. We maken weer een scherpe bocht, nu naar links, terwijl ik zoek naar de horizon die in het blauw van de lucht verdwenen lijkt. En dan, opeens, ligt recht voor ons Dew Rawod. Berend telt af tot touch down: “three, two, one…”. Als de nieuwe passagiers, die met ons mee terug zullen vliegen naar TK, instappen wordt er nadrukkelijk geteld. Hoeveel personen gaan er met ons mee en hoeveel met de tweede Cougar? En wie neemt welke bagage mee? Dat luistert heel nauw. De voornaamste reden daarvoor is dat de balans tussen de kilo’s brandstof, de kilo’s ruimvracht en het aantal kilometers dat ermee gevlogen moet worden, erg delicaat is. Want als er meer brandstof mee gaat, kan er minder vracht vervoerd worden. De temperatuur speelt daarbij ook een rol: boven de 43 graden neemt het vermogen van de Cougar af en kan hij dus minder tillen.
Als we krap tien minuten later weer opstijgen en Dew Rawod achter ons laten, zie ik hoe groen het ook daar is. Het blijft een prachtig gezicht, dat heldere groen op een achtergrond van grijsgele bergen. Als we TK naderen, scheren we rakelings over een boomgaard, over de rivier en over een tweede, nog bredere boomgaard. Vanaf mijn plekje direct naast de deur kijk ik zo een quala in. We landen op TK, het is net iets voor half 8 nog, en ik stap uit. Terwijl de beide Cougars een extra ritje naar de vooruitgeschoven posten Qudus, Locke en Buman maken, mag ik hier even wachten op de vlucht terug naar Kandahar Airfield. Ik regel een lift en maak van de gelegenheid gebruik een paar collega’s te bezoeken.
Een paar uur en twee koppen koffie later, sta ik klaar voor vertrek weer op de helikopterlandingsplaats. Het is er inmiddels flink warm geworden en omdat de zon hoog staat, is er zo goed als geen schaduw. Als ik aan de mannen die er ook staan vraag of ze mee naar KAF gaan, hoor ik dat ze nog wachten op hun vlucht naar Deh Rawod. Naar verluid is een van de Cougars stuk en kan het nog wel even duren voordat dat is opgelost. “Trek je scherfvest nog maar even uit hoor” , wordt mij vroIijk medegedeeld. Ik maak het mezelf gemakkelijk en wacht af. De HID (Hoofd Interne Dienst) van TK deelt flesjes water uit en als na een uurtje wachten lunchtijd aanbreekt, verdeelt een collega doosjes noodrantsoen over de wachtenden. Ik heb net mijn droge crackertjes op als de collega van Movcon met nieuws komt. Door een technisch mankement kan er maar met een Cougar personeel en vracht worden vervoerd. De tweede Cougar kan de tussenlanding op Deh Rawod niet maken en zal daar dus in de lucht blijven hangen. Daardoor moeten er vandaag vier personen op Tarin Kowt achterblijven. Er worden vrijwilligers gevraagd. Ik blijf sowieso nog even achter omdat ik pas na de vlucht naar Deh Rawod wordt opgepikt voor de terugtocht naar KAF.
Als de vier vrijwilligers gevonden zijn, pakken de mannen die wel gaan hun rugzak. Er wordt bagage overgenomen van diegenen die niet gaan maar die wel spullen bij zich hebben die naar Deh Rawod moeten. Ze trekken hun scherfvest aan, zetten hun helm op en lopen naar de Cougar die, na te hebben bijgetankt, zich inmiddels op de landingsplaats gemeld heeft. De Cougar vertrekt en ik blijf in een wolk van stof achter. Het is bloedheet en ik voel mijn hoofd branden.
Een klein half uurtje later zie ik in de verte ‘mijn’ Cougar weer aankomen. Nu pak ook ik mijn spullen, trek helm en scherfvest aan en loop achter doorgunner ‘Bex’ aan naar de draaiende helikopter. Ah, niet ‘mijn’ Cougar dus, maar de tweede die ik steeds naast ons heb zien vliegen. Vliegers Peter en Daniëlle verwelkomen me via de radio die ik op mijn oren heb gezet. Of ik me heb vermaakt op TK? O jawel, maar ik ben ook klaar om te gaan nu. “We hebben nog 750 kilo peut”, hoor ik Peter op de radio zeggen, “daar komen we mee thuis.” Fijn. Da’s een geruststellende gedachte.