Op pad
Poes gaat op pad. Ze steekt haar kop om de hoek van de deur en kijkt naar buiten. Het is al donker. Alleen in de verte schijnt een klein, zwak lichtje. Poes moet haar best doen om het te zien. Maar dat vindt Poes niet erg. Ze houdt van het donker. Toch is ze blij dat de maan schijnt. De maan is mooi, vindt Poes.
Poes weet niet waar ze heen gaat. Maar dat hoeft ook niet. Poes volgt gewoon de maan. De maan kent de weg. Daarom volgt Poes de maan door de straat met de bomen. Ze volgt de maan ook door de tuin met het kippenhok. En ze kruipt samen met de maan onder het hek door naar het veld met de bloemen.
Daar staat Poes stil. Ze kijkt naar de maan. Waar wil de maan nu heen? De maan beweegt niet. Ze schijnt stil over het veld met de bloemen. De maan wil hier blijven, denkt Poes, tussen de bloemen op het veld. Dat vindt Poes een goed plan. Ze gaat zitten en denkt na. Poes heeft geen haast.
Ook de maan heeft geen haast. Ze zit naast Poes tussen de bloemen. Poes knijpt haar ogen tevreden dicht. Er is tijd genoeg. Ze wacht en denkt tot de maan verder wil. Als Poes haar ogen weer open doet, is de maan verdwenen. Fraai is dat, denkt Poes. Nu moet ik alleen naar huis.
Poes loopt over het veld met de bloemen terug naar het hek. De maan laat zich niet zien. Ook in de tuin met het kippenhok ziet Poes de maan niet. Zou ze verdwaald zijn?, vraagt Poes zich bezorgd af. Of heeft de maan zich alleen verstopt en moet ik haar vinden? Poes knijpt haar ogen samen en tuurt naar de hemel. Zou daar de maan ergens zijn?
In de straat met de bomen ziet Poes in de verte een klein, zwak lichtje schijnen. Het is niet de maan. Maar Poes hoopt dat de maan het lichtje ook kan zien. Dan weet ze dat ze bijna thuis is. Dag maan, denkt Poes, ik ben er bijna. En ik weet dat jij de weg wel kent. Dan slaat Poes de hoek om en loopt naar huis. Het is een lange dag geweest. Poes gaat slapen.