Ik heb twee zussen. Correctie: ik heb een zus en een zusje. Ik ben de middelste van drie zogezegd. En dat doet er toe. Tenminste, als ik de (dames)bladen geloven mag. “Ouders verwaarlozen middelste kind” kopte vorig jaar de Telegraaf nog met veel gevoel voor dramatiek op haar Vrouw-pagina. En het blad Ouders stelt via haar online vraagbaken een bezorgde moeder gerust: middelste kindjes maken het zichzelf en hun omgeving inderdaad soms erg moeilijk. Dat ‘verschijnsel’, schrijft de online-pedagoge, komt veel voor. Ja, mijn plaats in de rangorde van het gezin heeft dus invloed gehad op mijn jeugd, op mijn opvoeding. Op de wijze waarop mijn ouders naar mij keken -of juist niet naar mij keken, als ik de Telegraaf geloven mag. En dat heeft, hoe kan het ook anders, zijn weerslag gehad op de ontwikkeling van mijn persoonlijkheid.

Ik ben dus ‘het schatje’ van de familie. Ik hou van harmonie en heb een hekel aan conflicten. Ik drijf met de stroom mee, heb een kalme persoonlijkheid en je zou me kunnen beschouwen als een aangenaam, nuchter mens die ook nog eens heel goed luisteren kan. Allemaal prima. Maar helaas sneeuwen die prettige karaktereigenschappen van mij als middelste kind onder in de strijd om aandacht door zus- en zusjelief. De oudste krijgt meer aandacht omdat ze zo dwars is en moeite heeft met het woordje ‘nee’ (sorry zus, ik citeer echt enkel en alleen mijn bron) en de jongste wordt verwend omdat, nou ja, gewoon, omdat ze de jongste is (want ja, dat was je, en daar kun jij verder ook helemaal niks aan doen).

En dat gaat wringen. Want zelfs een aangenaam, nuchter mens met een sterke voorliefde voor harmonie (‘Vrede op Aard’ zou ook mijn wens bij de Missverkiezingen zijn geweest) heeft af en toe behoefte aan bevestiging, aan een aai over de bol, een beetje liefde en ‘tender loving care’. Dus ga ik rellen. ‘Rebelleren’ zoals dat in opvoedkundige termen heet. Want negatieve aandacht is ook aandacht, schrijft bepster.com (dé site waar vrouwen het woord hebben). ‘Opstand!’, roep ik dus. ‘Protest!’ Maar dat doe ik wel op een leuke manier, want dat kunnen middelste kinderen ook, blijkt uit onderzoek: beargumenteerd, bijna wetenschappelijk, maar wel toch ook heel origineel uit de hoek komen.

Tja, ‘need I say more’, zou ik bijna zeggen. Ik ben het buitenbeentje. Overgeleverd aan mijn lot. De grote verliezer in de strijd om de aandacht. Ik ben, wat ze wel noemen, het ‘sandwichkind’. En dan niet eens de boterham (liefst volkoren), maar het beleg daartussen. Maar wacht…het beleg daartussen? Waar draait het bij een sandwich nou eigenlijk allemaal om? Wat maakt die twee kale boterhammen tot een sandwich? Juist! Het beleg daartussen! Minder bemoederd dus meer zelf geleerd, meer zelf mogen (!) ontdekken en meer ruimte gekregen voor het uitwerken van de eigen ideeën, het ontwikkelen van het eigen geluid. Het beleg dus, de kraak en smaak tussen die beide (zeer rijk volkoren) boterhammen uit mijn jeugd. HOERA! Het middelste kind, dát ben ik!