' Vrouwen mogen niet excelleren'
Op de middelbare school had ik een vriendin die hard moest werken om voldoendes te halen. Die zich al dagen voor een SO of proefwerk door de opgegeven hoofdstukken heen worstelde om met veel pijn en moeite een krap zesje te halen en door te mogen naar het volgende jaar. Zij is inmiddels mijn vriendin niet meer. Omdat ze het, na jaren blokken, ploeteren en schrapen, meer dan onrechtvaardig vond dat ik met een half uurtje doorlezen in de bus en een opportunistische pen vaak een hoger cijfer haalde dan zij. Dat was niet alleen oneerlijk, dat was ook buitengewoon egoïstisch!
Ik heb me na haar emotionele afwijzing vaak afgevraagd wat ik in onze vriendschap verkeerd heb gedaan. Heb ik mezelf te vaak en te enthousiast opgetogen getoond over een mooie voldoende? Heb ik mezelf te vaak op de borst geklopt, te vaak gezegd dat ik het gewoon makkelijk begreep of er goed in was? Heb ik inderdaad, zoals ze zei, te weinig rekening gehouden met haar gevoel? Ik ben er niet van overtuigd, maar feit is wel dat ik door die ervaring voorzichtig ben gevonden in mijn vriendschap met andere vrouwen. Voorzichtig in die zin, dat ik nadrukkelijk probeer te voorkomen mezelf teveel op de voorgrond te plaatsen. Dus geef ik complimentjes (wat zit je haar leuk!), vraag ik naar het welzijn van de ander (beetje bijgekomen al van het weekeinde?) en hou ik nauwlettend in de gaten of ik de ander wel net zoveel spreekruimte geef als ik zelf neem. Want het mag niet alleen over mij gaan natuurlijk.
Nu is er vanzelfsprekend niets mis met persoonlijke aandacht en interesse. Sterker nog, het is de basis van iedere oprechte vriendschap. Maar de nadrukkelijke, soms bijna krampachtige wijze waarop ik die basis onderhoud, geeft aan dat er een gevoel van angst aan ten grondslag ligt. Angst om de vriendschap te verliezen, om (nog een keer) afgewezen te worden, maar ook de daar onder liggende angst om inderdaad egoïstisch, narcistisch, onattent en dus feitelijk geen goede, oprechte vriendin te zijn. En vooral dat laatste is opmerkelijk. Want hoe kan het dat het stuklopen van één vriendschap blijkbaar zwaarder telt in het oordeel over mijn karakter dan het plezier uit vijf andere, ‘succesvolle’ vriendschappen?
Er zitten twee kanten aan deze medaille. Enerzijds wordt van vrouwen nog steeds verwacht dat ze bovenal bescheiden, dienstbaar en solidair zijn. Dat zijn –ook in onze moderne, ontwikkelde maatschappij- de zogenaamd typisch vrouwelijke eigenschappen. Eigenschappen die in ieder vrouw gekoesterd worden bovendien, aangemoedigd en nadrukkelijk positief worden beoordeeld. En dat suggereert anderzijds dat vrouwen (dus) niet competitief, assertief en gericht op persoonlijk succes horen te zijn. Vrouwen mogen schijnbaar niet excelleren. Niet beter zijn dan anderen. We behoren ons solidair en onbaatzuchtig naast iedere andere vrouw te scharen, in plaats van enthousiast of ambitieus een stap vooruit of hogerop te willen zetten.
Dat zal overigens ook meteen (een van) de reden(en) zijn waarom vrouwen -voor hetzelfde werk- nog steeds minder verdienen dan hun mannelijke collega's. Vrouwen staan niet voor hun werk, laten zich niet voorstaan op het door hen behaalde resultaat. Claimen er niet de eer en, bij de verdeling van de jaarlijkse beloningen, het geld voor. Want: ‘dat doe je nu eenmaal niet, als vrouw’. En doe je het wel, dan wordt je –overigens vooral door andere vrouwen- al snel scheef, maar in ieder geval met gefronste wenkbrauwen, aangekeken. Onzin natuurlijk. Want hoe mooi bescheidenheid ook is, aan het einde van een lange dag is loon naar werken een heel stuk eerlijker.