Een anekdote: ik ben een jaar of zeven, acht en lig in bed. De wereld om mij heen is aardedonker en het is stil in huis. Mijn handen liggen op mijn buik ineengevouwen en diep binnenin mij voel ik mijn hart ritmisch kloppen: toeng toenk, toeng toenk, toeng toenk. Als ik goed luister, kan ik mezelf horen ademen, mijn borstkas beweegt bij iedere ademteug op en neer: in en uit, weer in en uit. Ik probeer me te ontspannen en denk aan wie ik ben. Aan waar ik ben. Ik ben in mijn bed. Mijn bed staat in dit huis. Dit huis staat in Friesland, Friesland ligt in Europa, Europa ligt in de wereld, de wereld is de aarde, de aarde is rond en zweeft door het heelal, het heelal is de Melkweg, de Melkweg is het universum, het universum is…

En daar gaat het mis. Het universum is zwart. Het universum is groot en ongrijpbaar en zwart. Het universum is de dood. Mijn hoofd verdooft, ik kan niet meer denken. Ik kan niet meer ademen. Angst voor de dood grijpt naar mijn keel. Ik raak in paniek. Ik moet mijn bed uit, ik moet hier weg! Naar beneden, naar het licht, naar het leven! Als ik bij mijn moeder op schoot zit en haar hart –toeng toenk- tegen mijn wang voel kloppen, kan ik weer adem halen. De warmte van haar lichaam kalmeert. Ik krijg een glas melk met anijs en vraag naar de dood. Vraag of zij daar ook bang voor is. Ik krijg geen antwoord. Maar, zegt mijn moeder op rustige toon, heel oude mensen zijn daar vaak niet meer bang voor. Heel oude mensen vinden rust.

Ik moest hier aan terug denken toen ik laatst een jonge moeder sprak. Zal ik mijn kind naar een openbare of een christelijke school sturen, vroeg zij zich af. Ze vroeg het omdat ze haar kind geen geloof wil opdringen, maar het ook wil beschermen tegen de angst voor de dood. En, zo redeneerde ze, geloof in een God neemt mogelijk –waarschijnlijk- de angst voor de dood weg. Ik zal eerlijk bekennen dat haar vraag mij in eerste instantie gerust stelde: godzijdank ben ik niet de enige die –nog steeds- wel eens bang is voor de dood. Uit haar vraag bleek, alhoewel niet zo expliciet uitgesproken, diezelfde soms klemmende angst voor het onbekende niet meer zijn. Meteen daarna echter zag ik de onmogelijkheid en de ambiguïteit van haar vraag. En dat deed me zeer.

Het deed me zeer omdat het zo onontkoombaar is. Zo wrang. Zo wreed bijna. Stel je voor: je bent moeder. Je schenkt een leven, een nieuw leven en dat nieuwe, prille leven wordt –terecht denk ik nog steeds- hartstochtelijk gevierd. Met een ooievaar in de tuin, slingers aan het raam, en beschuit met muisjes voor al het aanwaaiende, vertederde bezoek. Er worden wensen uitgesproken, er wordt gedroomd: dat dit kind alle goeds mag toekomen, dat het zich vrij mag ontwikkelen, gelukkig worden mag. Alles oprecht gemeend. Maar aan het goede, aan de vrije ontwikkeling, aan die wieg van het geluk, staat een zekerheid. Dat aan ieder nieuw leven tevens de dood cadeau wordt gedaan. En dat het kind, dat nergens om gevraagd heeft, zich dat op een dag realiseren zal.

En daar sta je dan, als moeder. Met lege handen. Want wat kun je doen? Je hebt bewust en zo gewenst een leven gegeven, maar daarmee onbedoeld, ongewild, dus ook een dood. En dat kan niet anders dan schuren. Ik heb geen kinderen, en ik heb niet de wens om ze te baren. Ik zal dus zelf geen leven geven, en daarmee ook geen dood. Maar ik kan me de twijfel, de zorg van deze jonge moeder goed voorstellen. En ik ben, hoe tweeledig ook dat gevoel natuurlijk is, wel blij –nee, opgelucht, want meer dan dat is het niet- dat ik niet in haar schoenen sta. Niet die pijn hoef te voelen, niet die inwendige verscheurdheid. Ik kan alleen maar hopen dat haar kind, net zoals zij en net zoals ik, op enig moment de rust vindt waar mijn moeder, jaren geleden, over sprak. En dat tot die tijd een glas warme melk met anijs en een kalme, rustige stem, de stem van een moeder, die eerste angst voor het donker verdrijft.